Deze website gebruikt alleen noodzakelijke cookies. Deze functionele en technische cookies zorgen ervoor dat de website werkt en veilig kan worden gebruikt.

bos logo website

 

 soc m FBSoc m LinkedInn


 


V
eel voorkomende oogproblemen bij (jonge) kinderen

Bij kinderen kunnen allerlei oogproblemen ontstaan, klein of groot, die in het begin misschien onopvallend, maar later toch duidelijk zichtbaar en van grote invloed kunnen zijn. Slecht zien, scheelzien en een lui oog zijn wellicht de drie bekendste problemen. In de eerste zes levensjaren ontwikkelt het systeem van het zien zich nog volop. Het is dus van belang dat dit systeem in die periode niet negatief beïnvloed wordt door bovengenoemde problemen. Gebeurt dit toch, dan is het van het grootste belang dat dit snel ontdekt wordt, zodat de positieve beïnvloeding ingezet kan worden. Wordt dit niet gedaan, zal er blijvend minder zien ontstaan.

Hier geldt dus duidelijk: hoe eerder ontdekt, hoe beter! En hoe eerder de behandeling start, hoe beter!! 

Slecht zien, scheelzien en een lui oog. Wat is dat?

Slecht zien door een brilafwijking

De meest voorkomende reden van slecht zien bij een kind komt door een brilafwijking. Ook bestaan er oogziektes waardoor het kind minder kan zien, maar daar willen we in deze folder verder niet op in gaan. Hierbij gaat het om de meest voorkomende oorzaken. Een brilafwijking kan zijn een “bijziendheid” (=myopie), een “verziendheid” (=hypermetropie) of een vormafwijking van het oog (=astigmatisme).

 

Bijziendheid (myopie)

Bij bijziendheid is er het probleem dat het kind dichtbij alles (redelijk) goed ziet, maar veraf is alles wazig. Bijziendheid betekend dat het oog van nature te groot gebouwd is, waardoor de beelden niet op het netvlies terecht komen, maar ervoor.

Is een klein kind een klein beetje bijziend is dit niet zo erg omdat zijn belevingswereld nog dichtbij is, maar is er sprake van een “groter” kind dan kan dit wel degelijk een handicap zijn, omdat er van hem verwacht wordt dat hij alles in de verte kan ontcijferen. Daar komt nog bij dat hij ook vaak zelfstandig aan het verkeer deelneemt en je hiervoor toch een redelijk goed gezichtsvermogen nodig hebt.
bijziendheid


Verziendheid (hypermetropie)

Bij verziendheid is het oog te klein gebouwd, waardoor de beelden ook niet scherp op het netvlies komen.

Verziendheid is voor een deel door het kind zelf te corrigeren d.m.v. zijn accommodatie (=scherpstel) vermogen. Alle kinderen zijn bij hun geboorte bijziend, maar zullen dit in de loop van de tijd vergroeien. Deze verziendheid kunnen zij zelf corrigeren, omdat kinderen een heel sterk accommodatievermogen hebben. Sommige kinderen beginnen echter met een (veel) hogere verziendheid, dat soms wel door hen te corrigeren is maar enorm veel moeite kost. Dit kan zich dan uiten in vermoeidheid, slecht(er) zien, hyper- of hypoactiviteit, lees- en leerklachten, hoofdpijn of zelfs scheelzien.

verziendheid


Vormafwijking van het oog (astigmatisme)

Een vormafwijking van het oog is een afwijking waarbij de oogbol niet geheel rond is maar meer ovaal gevormd is. Hierdoor worden de beelden niet geheel onscherp gezien, maar in bepaalde richtingen meer wazig getrokken. Dit zorgt ervoor dat alle beelden uit zijn voegen getrokken worden en is er op geen enkele afstand een scherp beeld. Door in de bril een cilinder te slijpen wordt de vormafwijking gecorrigeerd.

astigmatisme


Scheelzien (strabismus)

Scheelzien ontstaat meestal op de kinderleeftijd. 1 op de 25 kinderen heeft in meer of mindere mate last van scheelzien. De voornaamste reden om scheelzien op jonge leeftijd op te sporen en te behandelen is om een lui oog te voorkomen. Twee ogen zien immers meer dan één.

Scheelzien is een afwijking van de stand van de ogen, waarbij de ogen niet op hetzelfde punt gericht zijn.

strabismu

Mensen zien met beide ogen; het beeld dat in beide ogen binnen komt, wordt in de hersens samengevoegd tot één beeld.
Het vermogen om met twee ogen te zien ontwikkelt zich in de eerste zes levensjaren, waarvan de basis in de aller vroegste fase van het leven wordt gelegd. Als de normale ontwikkeling van het tweeogig zien wordt verstoord, kan scheelzien optreden. Het probleem bij scheelzien is dus dat door de oogafwijking men niet in staat is om de twee beelden, die met beide ogen worden opgevangen, als één beeld te zien.

Scheelzien ontstaat onder andere door de erfelijke aanleg of medische problemen in de periode rond de geboorte.
Ook een verstoring in de normale ontwikkeling van de ogen of de ontwikkeling van het leren zien (met twee ogen) in de eerste levensjaren kunnen factoren zijn die meespelen bij het ontstaan van scheelzien.

Zoals eerder al beschreven kan ook een brilsterkte afwijking, die niet gecorrigeerd is, scheelzien in de hand werken, doordat het kind te veel moet accommoderen (scherpstellen) waardoor zijn ogen naar binnen kunnen gaan trekken.

Wanneer scheelzien op jonge leeftijd ontstaat is er zelden sprake van dubbelzien. Dit komt omdat het systeem in de hersenen op deze leeftijd in staat is het tweede beeld te onderdrukken. Hierdoor ontstaat dan wel een lui oog. Wanneer het scheelzien pas op oudere leeftijd ontstaat is de kans op een lui oog kleiner. Er zal vaker dubbelzien optreden, omdat het beeld van het afwijkende oog minder gemakkelijk kan worden onderdrukt. De hersenen hebben immers niet geleerd om het tweede beeld te onderdrukken. Bij dubbelzien knijpt het oudere kind één oog dicht of houdt een hand voor het oog of klaagt over dubbelzien.

Scheelzien kan behandeld worden, nadat het eventuele luie oog is behandeld, door middel van een oogspier correctie. De oogspieren aan –meestal- beide ogen, die aan de buitenkant van de oogbol zitten, worden dan verzwakt of versterkt door deze te verzetten of in te korten. Hierdoor wordt de patiënt gedwongen om weer met zijn ogen recht te gaan staan. Nu is het nog de taak van de hersenen om deze signalen op te pakken en er iets mee te gaan doen. (Door de beelden die binnen komen samen te voegen en niet weer één beeld te onderdrukken zoals voorheen). De operatie vindt plaats onder narcose en gebeurt meestal in dagbehandeling. Dit houdt in dat het kind diezelfde dag nog naar huis mag.


Lui oog (amblyopie)

Een lui oog (=onvoldoende ontwikkeling van het gezichtsvermogen aan –meestal-één oog) kan al op zeer jonge leeftijd ontstaan en wanneer de behandeling vroeg begint kan het goed verholpen worden.

Hierbij geldt dus hoe eerder ontdekt, hoe beter.

De kans van slagen is het grootst wanneer in elk geval vóór het zesde levensjaar begonnen wordt met de behandeling. Maar ook hier geldt weer: hoe eerder hoe beter. Wanneer er niets aan het luie oog gedaan wordt, zal het oog altijd minder blijven zien, ook al wordt er een bril voor gedragen of wordt het oog geopereerd!! Dit is op later leeftijd niet meer te corrigeren.

Een lui oog komt voor bij 3 procent van alle kinderen. De grootste oorzaak is scheelzien, maar ook een verschil in brilsterkte voor beide ogen kan de aandoening veroorzaken. Een lui oog is dus iets anders dan scheelzien.

Het gevolg van het onderdrukken van een beeld (bij scheelzien) of het hebben van een wazig beeld voor één oog (brilsterkte afwijking) is dat het scherp zien van dat oog zich niet goed ontwikkelt en het gezichtsvermogen veelal achteruit gaat. Er is dan sprake van een lui oog.Wanneer de ogen om de beurt scheel kijken is de kans  op een lui oog veel kleiner, omdat het systeem van het zien voor beide ogen toch nog gestimuleerd wordt, alleen dan wel om de beurt in plaats van tegelijkertijd.

In het algemeen wordt er naar gestreefd eerst het luie oog te behandelen voordat er tot een eventuele oogspieroperatie wordt overgegaan. Mede hierdoor kan de behandeling van scheelzien en/of een lui oog soms lang duren.


Hoe wordt een lui oog behandeld?

Het goede oog wordt afgeplakt gedurende bepaalde tijdstippen op een dag. Hierdoor wordt het luie oog gedwongen om weer te gaan kijken en het systeem van het zien van dat oog dus weer gestimuleerd. Er wordt soms een bril voorgeschreven, die een eventuele brekingsafwijking van het oog corrigeert en zo het gezichtsvermogen van het luie oog verder optimaliseert.

Soms wordt er overgegaan op oogdruppels, als het afplakken echt niet lukt. Deze methode kan alleen niet bij alle kinderen worden toegepast, omdat aan bepaalde voorwaarden moet worden voldaan en deze therapie niet geheel risico vrij is.


Tot slot

Mocht u na het lezen van deze folder nog vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met onze praktijk.
Bos Orthoptie is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 9.00 tot 16.30 uur via Bos orthoptie

Wij stellen uw mening op prijs. Hebt u opmerkingen of suggesties over deze folder of over uw behandeling, laat dit ons dan weten.